EMDR

In 1987 ontdekte de Amerikaanse psychologe dat de lading van haar nare herinnering verminderde wanneer zij snelle oogbewegingen maakte. Deze bevindingen vormden de basis voor de ontwikkeling van de EMDR (Eye Movement Desentisation and Reprocessing). Inmiddels is EMDR uitgewerkt tot een behandelprotocol, dat goed onderzocht is en effectief blijkt voor de behandeling van Posttraumatische Stressstoornis (PTSS).

Bij de PTSS staan herbelevingen van een traumatische gebeurtenis centraal. Dit betekent dat deze herinneringen steeds weer naar boven komen. Dit lijdt tot een verhoogde spanning, die zich onder andere kan uiten in vergeetachtigheid, concentratieverlies, een verhoogde prikkelbaarheid, snel schrikken of veel op de hoede zijn. Omdat de herinneringen zo naar zijn zullen de herinneringen zoveel mogelijk vermeden worden. Mensen proberen juist niet te denken aan hetgeen is gebeurd. Hierdoor vind er geen verwerking plaats en neemt de mate van herbelevingen niet af. Een traumagerichte behandeling is erop gericht de vermijding ten opzichte van de herinnering te doorbreken waardoor de verwerking op gang kan komen. EMDR is opgenomen in de richtlijn voor behandeling PTSS.

Bij EMDR wordt eerst gevraagd wat uit de herinnering het naarste stilstaande plaatje is. Daarna wordt stilgestaan bij waarom dit plaatje nu nog zo naar is om naar te kijken. Voelt iemand zich bijvoorbeeld schuldig of minderwaardig, voelt iemand nog steeds de machteloosheid van toen of heeft iemand het idee nog steeds in gevaar te zijn. Hierna start de desentisatiefase, waarbij de therapeut met zijn vingers heel snel voor de ogen van cliënt langsgaat en voortdurend vraagt naar de associaties die bij cliënt opkomen. Regelmatig zal in het proces teruggegaan worden naar het plaatje om dat te kijken hoe naar het dan nog is. Hierbij zal het nare gevoel steeds iets minder worden en er zal worden doorgegaan totdat de lading van het plaatje weg is.

Er werd verondersteld dat de werking van EMDR te maken had met de wisselwerking tussen beide hersenhelften. Omdat in de emotie meer gelokaliseerd is in de rechter hersenhelft en het verstand in de linker werd verondersteld dat door de EMDR beide hersenhelften meer met elkaar interacteerden en dat hierdoor gevoel en verstand meer op een lijn zouden komen te liggen. Deze veronderstelling is echter losgelaten, waarbij momenteel de werkgeheugenhypothese als werkingsmechanisme wordt aangenomen. Wanneer een traumatische herinnering naar boven komt wordt deze actief in het werkgeheugen. Elke keer als dit gebeurt en hij daarna weer opnieuw wordt opgeslagen in het lange termijngeheugen verandert er iets in de herinnering. Een herinnering van nu is dus niet meer hetzelfde als dezelfde herinnering van tien jaar terug. Elke keer worden er stukjes informatie toegevoegd of afgehaald van deze herinnering. Een traumatische herinnering gaat gepaard met beelden, emoties en zintuigelijke waarnemingen en vraagt derhalve veel capaciteit van het werkgeheugen. Het volgen van de vingers vraagt eveneens veel capaciteit van het werkgeheugen. Door tijdens de EMDR tegelijk de herinnering te activeren en de vingers te volgen loopt het werkgeheugen vast en is er geen ruimte meer voor de emoties gekoppeld aan de herinnering. Het gevolg is dat een herinnering nu zonder de emoties wordt opgeslagen.

Hoewel EMDR een bewezen effectieve behandeling is voor PTSS komt er meer evidentie dat EMDR ook als effectieve behandeling naast Cognitieve Gedragstherapie ingezet kan worden voor andere stoornissen. Zo liggen aan een Sociale fobie of Paniekstoornis vaak herinneringen ten grondslag waardoor de angsten zijn ontstaan. Hierbij kan gedacht worden aan respectievelijk een pestverleden of de eerste paniekaanval. Ook blijkt het mogelijk toekomstige schrikbeelden te behandelen, bijvoorbeeld een beeld van een vliegtuigcrash onderliggend aan een vliegangst.